Wist U....
"De koning van Tyrus"
Een wezen, van ongeëvenaarde schoonheid en wijsheid, die in Eden,
"de hof van God" geweest is. Niet het Eden ten tijde van Adam en
Eva, maar mogelijk het Eden, dat ontstond toen de aarde voor het eerst geschapen
werd. Van dit wezen wordt gesproken: "Mensenkind, hef een klaaglied aan
over de koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt de Here Here: Volmaakt zijt
gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon.
In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis,
chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet
en malachiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht;
toen gij geschapen werdt, waren zij gereed. Gij waart een beschuttende cherub
met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige
berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen.
Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werd
totdat er onrecht in u werd gevonden: door uw uitgebreide handel zijt gij
vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der
goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de
vlammende stenen. Trots was uw hart op uw schoonheid.
Met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan. Ter aarde wierp
Ik u neer, en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak
naar u te zien. Door uw vele ongerechtigheden, door het onrecht bij uw koophandel,
hebt gij uw heiligdommen ontwijd. Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden; dat
verteerde u! Ik maakte u tot as op de grond voor de ogen van allen die u zagen.
Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking
zijt gij geworden, verdwenen zijt gij. Voor altijd"!
Daar geen van de koningen van Tyrus tot nu toe aan deze
beschrijving heeft beantwoord, wordt deze passage beschouwd, als een profetische
afbeelding van de antichrist, en daar de antichrist een vleeswording van satan
zal zijn, is het naar alle waarschijnlijkheid een beschrijving van satan voor
z'n val. Hetgeen in dit geschrift wordt aangeduid is, dat satan met een leger
van hemelse wezens de taak had de oorspronkelijke aarde te bewaren, en dat
hij door hoogmoed trachtte gelijk te worden aan God. Zie 1
Tim. 3:6: "Hij mag niet een pas bekeerde zijn, opdat hij niet door
opgeblazenheid in het oordeel des duivels valle". En zie Jesaja
14:12-14: "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon
des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En
gij overlegde nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn
troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik
wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen"
Door de straf en de val van satan en zijn engelen, (éénderde
van de engelen heirscharen Openbaring
12:4) die uit de Hemel werden verbannen naar de hemelse sferen (de tweede
Hemel, die tussen de atmosfeer van onze aarde en de Hemel waarin God woont
is), werd tevens de aarde in zijn chaotische toestand gebracht, zoals wij
dit lezen in Gen.
1:2.
Waarschijnlijk werden ze zo tot de machten en overheden en
wereld beheersers dezer duisternis en tot de boze geesten in de hemelse gewesten
(tweede Hemel) voor welke wij in Ef.
6:12 gewaarschuwd worden."want wij hebben niet te worstelen tegen
bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers
dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten". Dit
schijnt ons zeer aannemelijk, want van satan wordt gezegd, dat hij "de
overste van de macht der lucht", (Ef.2:2)
en "de god dezer eeuw" (2
Cor. 4:4) en het schijnt, dat zijn plan voor de val van de mens ten doel
had, de heerschappij over onze aarde te hernemen.
Er zijn mensen, die aannemen dat de 'demonen" ontlichaamde geesten zijn
van de bewoners van de Prae Adamitische aarde, en dat hun pogingen om, zoals
het geschiede in de dagen, dat de Here Jezus rondwandelde op aarde, om zich
in een menselijk lichaam te incarneren een bewijs is van het feit, dat zij
eens in het bezit van dergelijke lichamen waren. Natuurlijk rijst de vraag;
indien de bewoners van de Prae Adamitische aarde menselijke wezens waren,
zoals wij, en vernietigd werden toen de Prae Adamitische aarde tot een chaos
werd, waar zijn dan hun fossiele overblijfselen, waarom hebben wij deze dan
niet in de bodem of in de rotsen ontdekt?
Het antwoord hierop, zou kunnen zijn, dat hun lichamen door vuur verteerd
zijn geworden, zoals dit het geval zal zijn met de opstandige horden van Gog
en van Magog aan het einde van het Millennium (Openbaring
20:7-9) "En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan
uit zijn gevangenis worden losgelaten, en hij zal uitgaan om de volkeren aan
de vier hoeken der aarde te verleiden, Gog en Magog, om hen tot de oorlog
te verzamelen, en hun getal is als het zand der zee. En zij kwamen op over
de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde
stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen".
Alleen hun ontlichaamde geesten zouden, zoals het hierboven
vermeld is, tot demonen geworden zijn. In de Bijbel vinden wij echter hiervoor
geen enkele grond. Wel is het duidelijk, dat de demonen niet satan's engelen
zijn, want deze zijn in tegenstelling tot de demonen vrij. De demonen zijn
opgesloten in de "afgrond" en worden alleen vrijgelaten, wanneer
dit voor God's doel dienstig is. (Openbaring
9:1-2) "En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit
de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds
gegeven. En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put,
als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd
door de rook van de put".
Zij zijn ook niet de gevallen engelen uit 2
Petrus 2:4 en uit Jud.
6:7, want die worden in ketenen en duisternis bewaard tot op de dag van
het oordeel. Demonen zijn dus een klasse voor zich en voor zover wij weten,
zullen zij nimmer iets anders zijn. Wat wij wel weten met betrekking tot hen,
is dat de tijd nadert, dat zij gepijnigd zullen worden. Matt.
8:29: "En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te
maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?"
Wanneer op de Prae Adamitische aarde de dood heerste en de lichamen van de
Prae Adamieten in de aarde begraven werden, zou het kunnen zijn, dat zij nog
aanwezig zijn op dat deel van de aarde, wat zij bewoond hebben; hetgeen nu
het bed zou kunnen zijn van de Atlantische- en Grote Oceaan. Wanneer deze
veronderstelling nog een mogelijkheid in zich heeft, zou het ons kunnen helpen
de passage uit de Schrift te verstaan, die we vinden in Openbaring
20:13: "En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en
het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld,
een ieder naar zijn werken".
Hier wordt de "zee" onderscheiden van de "dood" (het graf),
dat het lichaam in zich heeft, en het dodenrijk of Hades, de verblijfplaats
van de Ziel. Dit doet denken, dat onder de doden van de zee een andere klasse
van de mensheid wordt verstaan, en dat het zou kunnen zijn, dat deze doden
van de Prae Adamitische wereld zijn, die nu rusten op de bodem van de zee.
Wanneer Gods schepselen ieder in zijn eigen orde geoordeeld
zullen worden, zou het niet meer dan juist zijn, wanneer de doden van de Prae
Adamitische aarde geoordeeld zouden worden, alvorens dit met de boze mensen
van deze tegenwoordige wereld geschieden zal. De wijze waarop de Prae Adamitische
aarde "woest en ledig" gemaakt werd, die heeft alleen betrekking
op haar buitenste oppervlak, het bewoonbare deel van de aarde, wordt duidelijk
door Petrus geopenbaard in 2
Petr. 3:5-6: "Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord
van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door
het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door
het water".
Het is duidelijk, dat Petrus hier niet heen wijst naar de zondvloed ten tijde
van Noach, want de wereld verging niet ten tijde van Noach. Petrus gaat dan
ook verder in vers
7 eraan toevoegende: "Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn
door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag
van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen". (Het oordeel
voor de grote witte troon Openbaring
20:11-15).
De wijze waarop de Prae Adamitische aarde "woest en
ledig" werd gemaakt, was door het water. Het water, dat op de oppervlakte
van de aarde is, is ongeveer één-4950ste deel van de aardmassa.
Geweldige schokken moeten de Prae Adamitische aarde dus vernietigd hebben
en haar oppervlakte bedekt hebben met de wateren van haar oceanen. Geen levend
wezen bleef op haar over en haar atmosfeer van diepe duisternis verborg het
licht van de zon, de maan en van de sterren. Het had er alle schijn van, dat
zij een dode planeet was, alhoewel de zaden van haar plantaardig leven in
haar boezem begraven waren, om weer op de derde dag van de schepping (herschepping)
te herleven. ? ?De afwezigheid van warme zonnestralen veroorzaakte,
dat de aarde verviel tot haar "wintertijd".
Haar wateren waren tot ijs bevroren en conserveerden als een enorme koelkast
de geweldige grote viervoeters en gevleugelde dieren, opdat wij de aard van
het dierenrijke leven op de Prae Adamitische aarde zouden kennen. De profeet
Jeremia ziet in een visioen deze tijd: "Ik zag de aarde, en zie, zij
was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag
de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden. Ik zag, en zie,
er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. Ik zag,
en zie, de aarde was woestijn, en al zijn steden waren in puin gestort, voor
de Here, voor zijn brandende toorn".
Indien dit, zoals het schijnt te zijn, een verslag is van de verwoesting van de Prae Adamitische aarde, dan was deze bewoond en woonden haar bewoners in steden, en was het doel van God door haar te vernietigen alle historische monumenten en getuigenissen van de zondige toestand van haar bewoners uit te wissen. Welke tijdsverloop verliep tussen de schepping der aarde en het tijdstip, dat zij "woest en ledig" werd, weten wij niet, noch weten wij hoelang zij in die chaotische toestand verkeerde. Wel weten we, dat toen de tijd daar was, dat het Gods Plan was om de aarde weer in haar bewoonbare toestand te herstellen en haar geschikt te maken tot een woonstede voor de mens, Hij dit deed in zes perioden van langere of kortere duur. Het Hebreeuwse woord, dat vertaald is door "dag" kan zowel 24 uur, als ook een langere periode van tijd beslaan. Waarschijnlijk was de tijd slechts kort, dus 24 uur, precies 1 dag.
Bijbelstudie Centrum – wistu@bijbelstudiecentrum.nl